|
De getijbeweging op aarde wordt veroorzaakt door de aantrekkingkracht van hemellichamen op het vloeibare deel van de aarde. De voornaamste zijn de maan en de zon. De aarde draait in ca. 1 jaar om de zon en de maan draait in ca.1 maand om de aarde. Vallen de aantrekkingkracht van de maan en de zon samen dan hebben we springtij. Dit is het geval bij volle en nieuwe maan (VM en NM).
Werken ze elkaar tegen dan spreken we van doodtij, namelijk bij het eerste en laatste kwartier van de maan.
Door de wrijving van het water op de aarde valt het springtij ca. twee dagen na volle of nieuwe maan. De tijd tussen volle maan en springtij noemen we de leeftijd van het getij. De getijcyclus omvat ongeveer 24 uur en 50 minuten. Het hoog – of laagwater valt iedere dag ca. 50 minuten later.
Een complicatie bij de getijbewegingen is dat de getijgolf word beïnvloed door de continenten, waardoor allerlei afwijkingen van het “normale” patroon ontstaan. Op de zuidelijke Noordzee bijvoorbeeld bewegen zich twee getijgolven die een linksomgaande draaiing hebben om twee “vaste” punten. De getijtafels voor Nederland worden dan ook berekend met ruim dertig verschillende getij componenten.
De getijbeweging heeft twee gevolgen, namelijk verschillen in waterhoogten en stromingen. Deze worden echter niet alleen beïnvloed door het getij, maar ook door de weersomstandigheden. Lang doorzettende westelijke of oostelijke winden kunnen aanzienlijke verschillen in waterhoogten geven. Daarnaast wordt de stroom beïnvloed door de golfstroom en de waterafvoer van de grote rivieren.
De Noordzee bevat ca. 55.000 kubieke kilometer water. Langs onze kust is het nettowatertransport naar het Noorden gericht. Hierdoor wordt de Noordzee in 1 à 2 jaar geheel doorspoeld. De temperatuur van het zeewater is relatief hoog door de Golfstroom. Gegevens over waterhoogten en stromingen moeten met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd. Het meest betrouwbaar zijn de tijden van hoog – en laagwater. Deze zijn voor diverse plaatsen in Nederland gebundeld in “Getijgegevens voor Nederland” jaarlijks bewerkt door het “Rijksinstituut voor Kust en Zee” (RIKZ) (voormalig Dienst Getijwateren) van de Rijkswaterstaat.
De Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine bewerkt de “Stroomatlas Noordzee”. In deze atlas worden stroomrichtingen en snelheden gegeven die uit praktijk metingen zijn verkregen, aangevuld met modelgegevens. In blauwe cijfers is de stroomsnelheid vermeld. 2030 staat voor 2,0 zeemijl per uur bij doodtij en 3,0 bij springtij. In het boekje “Veilig Varen” van de NFB zijn de gegevens uit een oudere stroomatlas gedeeltelijk overgenomen. Getijbeweging is een ingewikkelde zaak. In Nederland treden de grootste getijverschillen (d.w.z. het gemiddelde verschil tussen hoog– en laagwater) op bij Bath (gemiddeld 4,75 m), de kleinste bij Den Helder (gemiddeld 1,35 m). In Scheveningen bedraagt dit verschil gemiddeld 1,70 m.
De verschillende begrippen die worden gebezigd in de diverse publicaties zijn hieronder schematisch weergegeven.
Verschil tussen HW en LW is het verval bij doodtij Verschil tussen HWS en LWS is het verval bij springtij.
Het verband tussen LLWS en NAP is aangegeven in de getijtafels. Voor Scheveningen is dit verschil: LLWS = NAP min 93 cm. Voor de liefhebbers: in Scheveningen is de waterstand t.o.v. NAP af te lezen op de peilschaal van het meetstation van RIKZ bij de ligplaats van de reddingboot.
|